Begrippenlijst
(Kees van der Weijden)
Allerwegen is gevraagd om een korte uitleg van de termen die in het programma 2005-2006 staan. Omdat elke korte uitleg toch enige voorkennis veronderstelt, en de uitleg ook begrijpelijk moet zijn voor de mensen die net van de cursus afkomen, ontkom ik niet aan een stukje basistheorie omdat anders elk antwoord op een vraag meteen weer nieuwe vragen oproept. Daarom heb ik een verhaal gemaakt waarin de begrippen in een context geplaatst worden, zodat de achtergrond ook duidelijk is. In elk geval moet je weten wat een ronde, spelgroep, zitting, en serie is. En via de aangegeven link kan je rechtstreeks springen naar de uitleg, zodat je niet verplicht bent het hele verhaal te lezen. Mocht er na afloop van het lezen onduidelijkheden blijken te zijn dan hoor ik dat graag, want als u iets niet begrijpt, dan geldt dat waarschijnlijk ook voor anderen en dient het verhaal te worden aangepast.
Dit zijn de in het programma 2005-2006 genoemde begrippen: Ladder, Topintegraal, Individueel, Viertallen, Paren, Butler, Paren in groepen, Ruitenboer, extern viertallen, intern viertallen. En dit zijn de overwegingen die leiden tot de diverse spelmogelijkheden betreffende parenwedstrijden.
In de navolgende uitleg van begrippen worden ook nog andere begrippen dan bovenstaande begrippen gebruikt die wellicht nadere uitleg behoeven. Om eindeloze kringverwijzingen te vermijden (en moet u naar deze plek terug als u een begrip niet kent) staat hier een overzicht van verwijzingen naar de in de uitleg genoemde begrippen: spelvormen, scoremethoden, indelingsvormen, score, MP, IMP, Cross-imps, multiplex gidsbriefjes, universele startposities, datum-score, patton, zaaien, organiek, balans, robberbridge, wedstrijdbridge, vervangende score, howell, mitchell, onvolledige mitchell, arrow-switch, schevenings principe, spelduplicatie, IMP-tabel, VP-tabel uitslaan, WEKO-Wijzer.
Dan nu verhalenderwijs de uitleg van de gebruikte begrippen.
Wedstrijdbridge kan je indelen op spelvormen, scoremethoden en indelingsvormen.
I) Spelvormen: Bij (wedstrijd)bridge kan je
A) Individueel spelen. Je spelresultaten worden als individu tegen andere individuen vergeleken. Per spelgroep en per ronde speel je met 1 partner, in elke volgende ronde krijg je een andere partner en ook andere tegenstanders. Aan het eind van de zitting krijg je een individueel resultaat.
B) Paren Je kan als paar een wedstrijd spelen. Je speelt de hele zitting met dezelfde partner tegen andere paren, meestal 4 spel per ronde, en je wordt als paar tegen andere paren vergeleken. Aan het eind van de zitting krijg je een resultaat per paar.
C) Viertallen Je kan als viertal een wedstrijd spelen. Een viertal bestaat uit een captainspaar en een nevenpaar. Je speelt de zitting met dezelfde partner en hetzelfde nevenpaar tegen een ander viertal. Na de helft van het aantal spellen ga je tegen het andere paar van de tegenstanders spelen. Een viertalwedstrijd bestaat meestal uit 24 of 28 spel per wedstrijd. Aan het eind van de zitting krijg je een resultaat per viertal. Een voordeel van viertalwedstrijden over een groter aantal spellen is dat zo’n wedstrijd altijd heel relaxed is, aangezien er geen echte tijdsdruk is. Bij parenwedstrijden moet er wel op de klok gespeeld worden omdat anders de zitting altijd te veel uitloopt, bij viertalwedstrijden ben je alleen afhankelijk van de tijdstolerantie van je teamgenoten (en hoe laat de zaal dicht gaat).
De spelvorm heeft op zich niets te maken met de methode van vergelijken, oftewel scoren. Je kan namelijk alle scoremethoden (score, MP, IMP, cross-imp) toepassen op alle spelvormen (individu, paar, viertal).
II) Scoremethoden: Bij (wedstrijd)bridge bestaan meerdere scoringsmethoden. We onderscheiden:
1) Score. Je telt vergelijkenderwijs de scorepunten. Omdat een enkel groot spel dan een enorme invloed kan hebben binnen een zitting is deze vergelijkingsmethode zo goed als verlaten. In parenwedstrijden ook niet toepasbaar. Dit is logisch. Stel er zit een enorm spel in de zitting. Je moet dan ala Butler of Cross-imps vergelijken, maar zonder de demping die door imp-rekenen ontstaat. In korte wedstrijden zonder ‘vast’ nevenpaar is dit nauwelijks eerlijk te noemen. In gewone viertallenwedstrijden over een groot aantal spellen valt er nog wel wat voor te zeggen.
2)
MP (matchpoints,
oftewel ‘parentelling’). Het slechtste resultaat in een lijn krijgt 0
MP, het een na slechtste 2 MP etc. Dit is de methode die in de meeste
parenwedstrijden wordt toegepast, en heet in de volksmond daarom ‘paren’. Dat
is op zich onzin, want zoals gezegd kan je de MP-scoringmethodiek ook toepassen
in viertallenwedstrijden en individuele wedstrijden. De MP-scoremethodiek heeft
voor- en nadelen. Als voordeel kun je aanmerken dat elk spel even belangrijk
is. Dat rekent wel lekker makkelijk voor de WL. Als nadeel kun je aanmerken dat
dit eigenlijk vreemd is, want waarom zou het verschil tussen 1SA+1 en 2Contract
enerzijds (wat op spel A gebeurt) nu even belangrijk moeten zijn als het
verschil tussen 7
C
en 4
+3
anderzijds (wat op spel B gebeurt). Bridgetechnisch is zo’n toekenning immers
totale onzin. Toch wordt in de MP-telling gedaan alsof de verschillen tussen
spel A en B even belangrijk zijn. MP wordt uiteindelijk altijd uitgedrukt in
een percentage van het maximaal aantal te behalen MP. Omdat het onbelangrijk is
hoeveel beter je het doet dan andere paren, is bieden minder belangrijk dan
spelen, je hoeft in de regel alleen in de goede speelsoort te zitten omdat er
altijd andere paren zullen zijn die minder slagen halen als je maar goed
speelt. In MP moet je dus rustig bieden, maar agressief spelen.
3)
IMP (Internationale
matchpoints, oftewel ‘viertallen’). Je gaat uit van score. Vervolgens laat
je op het scoreverschil de IMP-tabel los. De IMP-tabel
is bedoeld om al te grote scoreverschillen te dempen. In IMP-en rekenen is de
gebruikelijke scoringsmethode in viertallen, maar je kan ook in paren een
IMP-vergelijking maken, en wel tegen de gemiddelde score van de andere paren
uit je lijn. Die score heet de datum-score, en
het in een parenwedstrijd vergelijken tegen de datum-score heet Butler.
Je kan in een butlerwedstrijd bijv. +60 IMP scoren (dat is heel hoog) en laag
is bijv. –40 IMP. De spelregels beoordelen zowel +3 IMP per spel in een IMP-en
telling als 60% in een MP-telling als de gemiddelde plus (dat zou dus
vergelijkbaar met elkaar moeten zijn; recente berekeningen in de WEKO-wijzer hebben echter aangetoond dat een gemiddelde
plus in een Butler-wedstrijd eerder +2 is), en als je 0 IMP in een Butler of
viertal wedstrijd haalt, dan scoor je in het midden (je zou dus kunnen zeggen
50%) maar verder gaat elke vergelijking met MP mank. Dat komt omdat niet elk
spel even belangrijk is. Het al dan niet gemaakte kwetsbare 6SA spel (1440 of
-100) legt een veel groter gewicht in de schaal in de zitting dan het al dan
niet gemaakte niet-kwetsbare 2
(+110 of -50). Omdat het er toe doet hoog te scoren, moet je telkens de hoge
contracten proberen (manches, slems), maar die uiteraard wel maken. Overslagen
zijn onbelangrijk, agressief bieden en safe spelen is hier dus de boodschap. De andere manier van spelen/bieden
zorgt ervoor dat je er op een andere manier tegenaan moet kijken. Als
nadeel van Butler wordt vaak aangemerkt dat het niet inzichtelijk is hoe de
score tot stand komt. Onwetenden willen weten wat het percentage is, maar zoals
uitgelegd, IMP- en MP-telling zijn onvergelijkbaar. Als je weet dat het
MP-telling is, bied je behoudender en speel je agressiever als dat je weet dat
het IMP-telling is. Met dat voorbehoud laat ik de uitslag van de laatste parenzitting op verschillende wijzen
(MP, Butler, Cross-Imps) uitgerekend zien.
4) Cross-imps (versterkte viertallentelling). Je kan ipv 1x vergelijken tegen het gemiddelde van de andere scores (de datumscore) zoals bij Butler, ook vergelijkingen maken met alle andere spelresultaten afzonderlijk en dan alle verkregen IMP-en bij elkaar optellen. Effect: omdat het er toe doet hoog te scoren, moet je in hoge contracten zitten, en die wel maken. Maar overslagen zijn dan toch belangrijk, een overslagje levert nl. tegen alle andere paren een extra IMP, bijgevolg moet je behalve agressief bieden ook agressief spelen. Als nadeel van cross-imps wordt net als bij butler altijd aangemerkt dat niet inzichtelijk is hoe de score tot stand komt.
Tenslotte is het mogelijk scoremethoden te combineren. In viertallenwedstrijden over een gering aantal spellen kun je zowel MP als IMP toepassen door zowel de MP als de IMP te ‘vertalen’ naar VP. Met VP (Victory-points) rekenen is een methode om viertallenwedstrijden onderling vergelijkbaar te maken. Dit combineren van MP en IMP in korte viertallenwedstrijden heet naar de bedenker generaal Patton uit de 2e WO de Patton-telling. In Patton moet je agressief bieden (want daarmee heb je de grootste kans op veel IMP-en) maar ook agressief spelen (want het overslagje telt in de MP-telling hard mee).
Opmerkingen:
a) scoremethode 1) is onbruik geraakt, en wordt eigenlijk alleen nog bij robberbridge gebruikt. Het grote verschil tussen robberbridge en wedstrijdbridge is dat bij robberbridge de resultaten van de spellen niet worden vergeleken, i.t.t. bij wedstrijdbridge waar ze juist wel worden vergeleken. Robberbridge wordt (via score) om geld gedaan (omdat er anders helemaal niets op het spel staat en net als bij klaverjassen het er alleen zou gaan wie de beste kaarten krijgt).
b) Scoremethode 4) vereist de inzet van een computer, zeker bij grotere aantallen spelers als gevolg van de hoeveelheid rekenwerk om de uitslag te bepalen. Wordt door wedstrijdleiders vrij algemeen gezien als de methode van de toekomst voor parenwedstrijden, maar is nog niet echt geaccepteerd in de bridgewereld door de geringe inzichtelijkheid van de uitslagverkrijging.
c) Algemeen (door spelers en WL’-s) wordt viertallenbridge met IMP-en telling als de zuiverste soort krachtmeting beoordeeld.
d) Op de verreweg de meeste clubs worden alleen parenwedstrijden met MP-telling en viertallenwedstrijden met IMP-en telling gespeeld. Maar dat is uiteraard een beperkte blik op de mogelijkheden.
III) Indelingsvormen. Tenslotte, de hamvraag: wie wil je tegen wie vergelijken en wie wil je wie laten ontmoeten? Schematechnisch is vrijwel alles mogelijk. Het mooist (en eerlijkst) is natuurlijk altijd een volledige competitie tussen alle paren, d.w.z. iedereen wordt met iedereen vergeleken en iedereen treft ook iedereen aan tafel als tegenstander. Hiervoor bestaan zowel Howell als MK(meesterklasse)-schema’s. Maar op een enkele zitting kan je onmogelijk tegen alle andere paren spelen, zelfs niet als je maar 1 spel per ronde speelt, de beschikbare tijd ontbreekt daarvoor. Een volledige competitie over meerdere avonden kan schematechnisch wel, maar dat vereist weer een verplichte opkomst en dat wordt daarom evenmin als wenselijk ervaren. Binnen een gewone club ontbreekt dus domweg de tijd om volledige Howell of MK-schema’s uit te voeren. Dat maakt een parenwedstrijd overigens wel fundamenteel oneerlijk.
Het rare van parencompetities is ook dat je eigenlijke tegenstanders niet degenen zijn die je aan tafel ontmoet, maar degenen waarmee je vergeleken wordt. Als je een volledige competitie zou hebben, dan wordt iedereen met iedereen even vaak vergeleken, terwijl je ook iedereen ontmoet aan tafel. Maar dat is bij een parencompetitie dus min of meer automatisch niet het geval. Wie met wie wordt vergeleken is voor de deelnemers onzichtbaar, maar wel van essentieel belang. Extreem gesteld, als ik als WL een middelmatig paar met een slecht, oneerlijk schema zo indeel dat degenen waarmee dat middelmatige paar steeds wordt vergeleken, allemaal slechter zijn, dan wordt dat middelmatige paar opeens eerste, een plek waar ze krachtens hun speelsterkte totaal geen recht op hebben. (Voorbeeld: je hanteert een Mitchell –schema waarbij je in de NZ alleen sterke paren stopt en alle zwakke paren met het middelmatige paar in de OW. Als je dan ook geen arrow-switch toepast, en tevens het schevenings principe hanteert, dan lijkt het ook nog eens alsof je de multiplex-schema’s gebruikt, - de vergelijking voor de deelnemers is ook nog eens onzichtbaar). Dat is dan met een schema en indeling met een onevenwichtige vergelijkingstabel, oftewel een slechte balans. Dat wil je als WL uiteraard niet, je wilt een zo goed mogelijke balans. Nu kan je wel proberen om de balans evenwichtig te krijgen, maar helemaal zuiver wordt-ie nooit. Om de vergelijking met hardlopen te maken, je doet een wedstrijd over zeg 800m maar sommige deelnemers hebben 10, 20 of 50m voorsprong. Of nog meer. Dat is inherent aan een parenwedstrijd. De WL kan er hooguit voor waken dat het geen 150m wordt. Of juist wel als de WL kwaad wil, want parenwedstrijden zijn dus in hoge mate manipuleerbaar, zoals ik met het voorbeeld aangaf. Gek genoeg realiseert niemand zich dat en willen we allemaal parenwedstrijden spelen, maar als je het mij vraagt is die wens alleen geboren uit de gedachte "wat de boer niet kent eet hij niet", want een parencompetitie is vanuit de natuur oneerlijk. De vraag rijst dan wel onmiddellijk: “hoe vergelijk je dan wel, en hoe is de vergelijking het eerlijkst?”.
Dè beperkende factor en eerste overweging is dus tijd. Je wilt zoveel mogelijk paren tegen elkaar vergelijken, zodat het schematechnisch in een parenwedstrijd het het beste zou zijn na elk spel te wisselen. Dit is echter onpraktisch vanwege de wisseltijd die telkens verloren gaat, het geeft een hoop onrust en de mensen vinden het niet prettig. Deze zelfde bezwaren gelden in steeds mindere mate naarmate het aantal spellen per ronde oploopt. Op de meeste clubs spelen ze daarom meestal 4 spellen per ronde, en meestal 6 ronden per avond. Dat geeft 6 verschillende tegenstanders aan tafel en duurt het dus ca. 3 zittingen voordat alle paren uit een groep van organiek 16 paren elkaar ontmoet kunnen hebben, zelfs aangenomen dat steeds iedereen aanwezig is. Als de indeling over een serie van bijv. 6 zittingen zodanig is dat iedereen binnen de groep elkaar even vaak ontmoet en even vaak met elkaar wordt vergeleken, dan spreken we van een evenwichtige balans. De term ‘organiek’ slaat hierbij op het aantal paren waarmee je een groep bij aanvang van een serie bij een indeling in vaste groepen indeelt. In praktijk komen er in elke zitting wel een aantal paar niet (ziek, vakantie, bijzondere afspraken e.d.). Het door de NBB aanbevolen organieke aantal paar voor de multiplex-schema’s is 16. De indelingsvorm waarbij je over een aantal zittingen (meestal 5 of 6) tegen steeds dezelfde andere ca. 15 paren speelt (en tegen wordt vergeleken) heet paren in (vaste) groepen. De hiervoor gebruikte schema’s zijn meestal de multiplex-schema’s. De multiplex-schema’s van de NBB zijn optimaal gemaakte schema’s voor 6 of 7 ronden en voor 8, 10, 12, 14, 16, 18, 20, 22, of 24 paren met universele startposities. Universele startposities houdt in dat in ronde 1 paar 1 altijd NZ zit op tafel 1, paar 2 altijd OW op tafel 1, paar 3 zit altijd NZ op tafel 2 etc. Universele startposities hebben het voordeel dat een paar wat op het laatste nippertje binnenkomt makkelijk nog even is in te delen. De WL hoeft alleen maar een extra tafel te dekken en om te roepen dat de gidsbriefjes op bijv.14 paren gedraaid hoeven te worden – iedereen kan verder blijven zitten - , en voor dat gemak worden ze gebruikt. Dat indelingsgemak gebruiken is echter strijdig met zorgen voor een evenwichtige balans. Want het is de WL die in de multiplex-schema’s voor een evenwichtige balans moet zorgen. Dat kan de WL ook als alle paren tevoren maar aangeven wanneer ze aanwezig zijn, maar dan heeft de WL de multiplex-schema’-s weer niet nodig. Een programma dat tot doel heeft om over een groter aantal zittingen te zorgen voor een evenwichtiger balans dan het toeval, is het gratis programma WIP2000, het programma dat we zullen gebruiken als we parencompetities in groepen zullen gaan spelen.
Intermezzo, alleen voor de zeer geïnteresseerden: De multiplexschema’s zijn een mengeling van optimale howell-schema’s en optimale onvolledige mitchell schema’s met arrow-switch waarbij het schevenings principe wordt gehanteerd. Dat klinkt ingewikkeld, maar het valt wel mee: Howell: 1 paar heeft een vaste positie, elke volgende ronde lopen de andere paren daar cyclisch langs zodat een volledige competitie ontstaat, iedereen treft iedereen, en iedereen wordt tegen iedereen vergeleken. (een halve voetbalcompetitie als het ware, want ook daar worden Howells gespeeld. Een hele voetbalcompetitie – uit en thuis – is dan ook een dubbele Howell: je speelt 2x tegen iedereen, bij bridge zou dat zijn 1x als NZ, 1x als OW). Bij 4 spel per ronde is een Howell van 8 paren in praktijk toch wel het maximum, want dan speel je 7 ronden, in totaal 28 spel, wat ca. 3½ uur zal duren. Voordeel: perfecte balans is mogelijk (In een dubbele Howell sowieso, en in een enkele Howell moeten de windrichtingen wel worden geoptimaliseerd, hetgeen in de multiplex-schema’s van de NBB uiteraard het geval is). Nadeel: Elk spel wordt dan maar 4x gespeeld. Met zo weinig vergelijkingen per spel kan je echter gemakkelijk een top op een spel hebben, terwijl het spelresultaat op zich normaal is. Mitchell: De paren worden ingedeeld in 2 groepen van gelijke aantallen paren, de NZ-lijn en de OW-lijn. De NZ-paren blijven zitten, de OW-paren gaan 1 tafel omhoog, de spellen 1 tafel omlaag. Bij een oneven aantal X tafels ben je na X ronden precies rond. Je hebt dan 2 uitslagen, 1 voor de NZ-lijn welke paren met elkaar vergeleken en een OW-lijn idem. Een onvolledige Mitchell wil zeggen dat er meer tafels dan ronden zijn. Om er dan voor te zorgen dat iedereen alle spelgroepen speelt, moeten de spelgroepen worden gedeeld. Arrow-switch: door in een Mitchell de oorspronkelijk NZ-paren in bepaalde ronden wel aan dezelfde tafel te laten zitten, maar in de andere windrichting (OW dus) bereik je dat op sommige spellen de NZ-paren toch vergeleken worden tegen de OW-paren. Hierdoor ontstaat 1 totaaluitslag. Schevenings principe: niet de NZ-paren blijven zitten, maar de spellen blijven op tafel liggen. ‘Schevenings’ kan op alle soorten schema’s worden toegepast, op alle soorten Howell, op alle soorten Mitchell. |
Een tweede overweging is rekening houden met de speelsterkte(verschillen). Een indeling in (vaste) groepen zal op speelsterkte moeten zijn. Niemand vindt het prettig om tegen veel sterkere of veel zwakkere paren te spelen, en alhoewel er in de praktijk niet aan valt te ontkomen wil je het aantal keer dat dit gebeurt zoveel mogelijk beperken, ook uit competitieoogpunt aangezien het spelresultaat gebruikt wordt voor de vergelijking. Deel je in vaste groepen in, dan moet dat dus min of meer automatisch een indeling op speelsterkte zijn. Gebruikelijk op clubs is dat de sterkste paren in de A-groep zitten, de iets minder sterke paren in de B etc.
Een derde overweging is dat bij een klein aantal spelvergelijkingen een enkele score al snel de ‘top’ of de ‘nul’ is, terwijl het resultaat op het spel op zich volstrekt normaal is. Een manier om te voorkomen dat aan een enkele op zich normale score een relatief (te) groot of (te) klein aantal MP worden toegekend, is om het aantal spelvergelijkingen te vergroten. Je kan dit doen door op de hele club dezelfde spellen te spelen (via spelduplicatie), en je kunt daardoor de spelresultaten van de andere groepen meenemen in de vergelijking. Dat principe heet topintegraal. Een nadeel van topintegraal is dat je dat principe niet toe kunt passen op een indeling op speelsterkte (de sterkste paren zitten in de A, de wat minder sterke paren in de B etc.). Een topintegraal leidt tot 1 enkele uitslag, en het sterkste paar uit de C zou de wedstrijd dan kunnen winnen terwijl ze een veel zwakkere tegenstand hebben ondervonden dan elk willekeurig A-paar. Het C-paar behaalt dan een winst waar ze krachtens hun speelsterkte en prestatie geen recht op hebben. Om een topintegraal eerlijk te laten zijn dient er dus ‘gezaaid’ te worden, d.i. dat de sterke en zwakke paren dienen gelijkelijk over alle groepen verdeeld worden. Topintegraal kan je dus eigenlijk niet spelen in groepen waar de speelsterkteverschillen zeer groot zijn, want dat is strijdig met de eerder geformuleerde tweede overweging. Niettemin wordt het topintegraalprincipe algemeen toegepast in bijv. kroegentochten. Bij ons op de club zijn de speelsterkteverschillen niet van dien aard dat je het topintegraalprincipe niet zou mogen toepassen, en bovendien is het goed als alle paren elkaar tenminste enkele malen per seizoen ontmoeten, reden waarom we wel enkele topintegraal wedstrijden spelen.
Topintegraal vereist dus spelduplicatie en zaaien, maar je vergelijkt daardoor nog steeds wel appels met appels. Je kan een stapje verder gaan om 1 totaalranglijst te verkrijgen zonder spelduplicatie (spelduplicatie brengt trouwens altijd een hoop werk voor de WL met zich mee) en gewoon de percentages uit de verschillende zittingen (ondanks dat deze percentages behaald zijn in groepen van verschillende gemiddelde speelsterkte!) op te tellen. Dat is een Ladder. De eerste zitting van een ladderserie deel je willekeurig in, en voor alle volgende zittingen gebruik je de totaalranglijst na de vorige zitting voor de indeling van de volgende zitting. Hierdoor ontstaat op den duur (dus na een groter aantal zittingen, zeg 5, 6 of 7) toch wel een ranglijst conform speelsterkte. (De deelnemende paren moeten dan niet veel vervangende scores hebben). De eindranglijst van de ladder gebruik je vervolgens als indelingsbasis voor je eerste indeling in vaste groepen. Omdat je bij een ladder niet zaait, kan je niet (eerlijk) topintegraal uitrekenen en daarmee is spelduplicatie ook overbodig geworden. De nadelen van het ladderprincipe liggen voor de hand. In de vergelijking met topintegraal spelen de deelnemers in elke groep behalve andere spellen ook nog eens tegen tegenstanders van een andere gemiddelde speelsterkte, terwijl de bereikte resultaten (de percentages) voor de ranglijst wel bij elkaar opgeteld worden. Een totaalranglijst van een laddercompetitie moet daarom niet al te serieus worden genomen zeker niet als die over een gering aantal zittingen gaat. Je vergelijkt niet meer appels met appels maar het wordt meer “het is ook fruit” oftewel het zijn toevallig ook percentages. Toch is een ladder ook de enige manier om aan het begin van het seizoen iedereen gelijke kansen op het clubkampioenschap te geven en tegelijkertijd ervoor te zorgen dat de ‘sterken’ niet steeds tegen de ‘zwakken’ moeten, hetgeen wel zo zou zijn indien je van elke zitting van de eerste serie een topintegraal zou maken.
Samenvattend: Wil je de behaalde percentages over meerdere zittingen bij elkaar optellen, dan kan dat alleen serieus als je steeds dezelfde groep tegenstanders hebt getroffen, m.a.w. een indeling in vaste groepen. Binnen een indeling in vaste groepen is een 100% eerlijke balans per zitting op zich wel mogelijk (in bijv. een Howell-schema), maar dat kan dan alleen als de groepen organiek heel klein zijn (zeg maximaal 8 paren: dan kan je nog 7 ronden per zitting spelen) met als effect een oninteressante competitie omdat je steeds dezelfde mensen ontmoet. Bovendien krijg je onmiddellijk indelingsproblemen als bij zo’n klein aantal paren er paren afwezig zijn, en het aantal vergelijkingen per spel is ook klein en daardoor onzuiver. Maak je het aantal paren per groep groter dan ontbreekt automatisch de tijd alle andere paren binnen de zitting te ontmoeten en wordt de balans een probleem. Een parenzitting kan in de clubpraktijk dus geen volledige competitie zijn, en omdat opkomstplicht niet van deze tijd is, is zelfs in een parenserie een 100% balans een utopie. Door het afwezig zijn van een 100% balans is een parenwedstrijd vanuit de natuur ‘oneerlijk’, maar moet wel door de WL nagestreefd worden. Een methode om het effect van (on)balans te verkleinen en een spelresultaat een reëler afspiegeling van de werkelijkheid te doen zijn is het opvoeren van het aantal spelvergelijkingen. Bij een klein aantal spelvergelijkingen kan een op zich normaal resultaat op het scorebriefje een uitschieter blijken te zijn. Om dat effect te vermijden kan je het aantal vergelijkingen per spel vergroten, zodat een normaal resultaat ook een normaal aantal MP’-s zal opleveren. Het aantal spelvergelijkingen vergroten kan via topintegraal maar dat vereist wel spelduplicatie en zaaien. Zijn binnen de club de speelkrachtverschillen groot, dan is het gevolg van het zaaien dat binnen een subgroep van een topintegraal wedstrijd de sterkste paren (te) dominant worden. Je kan ook het aantal spelvergelijkingen opvoeren (en dus de wedstrijd eerlijker maken) door het aantal tegenstanders binnen de zitting waartegen vergeleken wordt te vergroten door minder spellen per ronde en een groter aantal ronden per zitting te spelen dan wat tegenwoordig op clubs gebruikelijk is (bijv. 12 ronden x 2 spel per ronde i.p.v. 6 ronden x 4 spel per ronde). Dat heeft ook als effect dat een ‘minder’ paar zijn slechte resultaten zal verdelen over een groter aantal tegenstanders aan tafel, waardoor meer ‘betere’ paren een (wat kleiner) graantje meepikken en niet enkele paren alle lekkernijen opsouperen. Een groter aantal ronden per zitting is echter door het grotere aantal wisselingen wel onrustiger en zorgt voor een grotere tijdsdruk omdat 1 moeilijker (en daardoor langer durend) spel minder makkelijk via het sneller spelen van andere spellen gecompenseerd kan worden.
Vervangende score: Een hot item bij alle parencompetities is wat er als vervangende score voor de ranglijst berekend moet worden als een paar een zitting niet mee kan maken. Je kan niet 0% (niets) rekenen. Je wilt aan het einde van de serie een totaalranglijst zoveel mogelijk conform krachtsverhoudingen, en domweg 1 of meer keer afwezig zijn maakt een paar niet zwakker. Je kan ook niet altijd het eigen gemiddelde geven, aangezien er anders paren uit berekening wegblijven zodat ze daardoor promoveren (of niet degraderen). Maar in deze tijd waarin de mensen (vooral de ouderen) verspreid over het hele jaar op vakantie gaan kan je ook geen opkomstplicht instellen. Er moet daarom soepel worden omgegaan met vervangende scores. In het wedstrijdreglement van B.C.Troef INN staat daarom dat de eerste afwezigheid in een parencompetitie een vervangende score wordt toegekend van het eigen gemiddelde met een maximum van 52,5 % waarbij dit maximum bij elke volgende afwezigheid 2,5 % lager is.
Ronde: in een ronde speel je een setje van (meestal) 2, 3 of 4 spellen (zo’n setje spellen heet een spelgroep; in 1 ronde speel je dus 1 spelgroep) met dezelfde partner tegen dezelfde tegenstanders.
Zitting: Een zitting bestaat uit een aantal ronden. Na afloop van een zitting heeft iedereen alle spelgroepen gehad en kunnen de spelverdelingen aan de deelnemers worden uitgereikt. Op een clubavond bestaat een zitting uit 6 of 7 ronden, op een kroegentocht bestaat een zitting uit 7, 9 11 of zelfs 13 ronden. Wil je het zuiver houden en ervoor zorgen dat de deelnemers tijdens de lunch bijv. over de spellen kunnen praten, dan moet je ervoor zorgen dat de dag uit meerdere zittingen bestaat.
Serie: een wedstrijd over een aantal zittingen. De NBB geeft de clubs de mogelijkheid meesterpunten uit te reiken over elke serie die uit meer dan 100 spellen bestaat (plus een beperkt aantal andere evenementen).
Spelduplicatie: In een parenzitting zijn er een beperkt aantal ronden, meestal 6. Een spelgroep kan binnen een ronde wel 1x gedeeld worden (alhoewel dat al niet prettig is vanwege het aantal mogelijke fouten) maar niet 2x. Wil je een spel in meerdere groepen spelen om een groter aantal spelvergelijkingen te verkrijgen zoals bij een topintegraal, dan moet de spellen dus gedupliceerd worden. Bij voorkeur heeft elke spelersgroep (A, B, etc) dan zijn eigen spelset. Spelduplicatie heeft voordelen: achteraf kunnen de spelverdelingen gepubliceerd worden, waardoor de deelnemers kunnen zien wat er niet goed ging in een spel en ervan leren. Daarnaast heeft het voor de WL het voordeel dat hij het 12/14-kaarten-probleem makkelijk kan oplossen. Spelduplicatie gebeurt door de computer te laten schudden, waarna de WL de spellen dienovereenkomstig dupliceert. Een computer schudt beter dan mensen, en daardoor ontstaan vaker dan bij handgeschudde spellen grilliger verdelingen met renonces, singletons en achtkaarten. Dit is geen manco van de computer, maar een manco van met de hand schudden. Het verschijnsel komt doordat spelers hun hand gesorteerd terugsteken in het bord (waardoor er 4 of meer kaarten van dezelfde kleur op elkaar liggen) en anders zorgt het spelverloop er wel voor dat bijv. alle schoppens op elkaar in de hand liggen (leider raapte een kleurtje op). Schud je nu slecht (minder dan 7x ritsen en schudden) dan liggen er nog steeds setjes van 4 kaarten van dezelfde kleur achter elkaar. Omdat de kaarten 1 voor 1 worden gegeven is het gevolg: geen renonce in het spel. En hoe slechter je schudt des te evenwichtiger het spel. Het is heel gek dat bridgers voor dit verschijnsel de ‘fout’ bij de computer zoeken en niet bij zichzelf. Enne, de WL zorgt echt *niet* voor ‘iets bijzonders’ in de spelverdelingen. Hij mag dat niet volgens de voorschriften, hij heeft er ook geen belang bij, en hij heeft al werk genoeg dus waarom zou-ie.
Ruitenboer: Eens per jaar organiseert de NBB het ruitenboertoernooi. Te sterke spelers worden voor dit toernooi uitgesloten. Uitsluiting vindt plaats op NBB-rating en in welke competities je recentelijk bent uitgekomen. Globaal geldt ongeveer dat spelers van hoofdklassenniveau en sterker uitgesloten zijn. De rest mag deelnemen. Van elke club worden de sterkste paren afgevaardigd naar de kwartfinale en van daaruit naar de halve finale en finale die in Utrecht worden gespeeld. De eerste ronde van dit toernooi vindt plaats in de week waarin 1 februari valt. Spelverdelingen van elke avond zijn landelijk hetzelfde en beschreven in een boekje.
Extern viertallen: Viertallen tegen een viertal van andere clubs (voor ons geldt in het district)
Intern viertallen: Viertallen tegen een ander viertal van de eigen club
IMP-tabel: Om scoreverschillen uit te drukken in IMP-en wordt de IMP-tabel gebruikt. Stel dat in een Butlerwedstrijd de gemiddelde score op spel 10 voor NZ –300 is. Deze gemiddelde score heet de datum-score. Paar A heeft in de NZ +620 op spel 10 gescoord. Paar A heeft het daarmee 920 beter gedaan dan het gemiddelde van het veld en heeft (kijkend in de IMP-tabel; 920 valt tussen 900 en 1090) op spel 10 dan 14 IMP gewonnen. Paar B speelde tegen Paar A en heeft in de OW –620 gehaald en het dus 920 slechter gedaan dan de andere paren in de OW en heeft dus 14 IMP op spel 10 verloren. Het proces van vergelijken tegen de IMP-tabel en daarna het verschil bepalen met je nevenpaar heet uitslaan.
Op dezelfde manier kan je de IMP-uitslag op een spel in een viertalwedstrijd bepalen, je gebruikt nu niet de datumscore maar wat je nevenpaar op de andere tafel heeft gedaan om uit te slaan.
En bij Cross-Imps sla je uit tegen elk ander paar in de andere lijn afzonderlijk en tel je de op die manier verkregen IMP-resultaten bij elkaar op.
IMP-tabel
|
||||||||
Score |
IMP |
Score |
IMP |
Score |
IMP |
|||
20 |
40 |
1 |
370 |
420 |
9 |
1500 |
1740 |
17 |
50 |
80 |
2 |
430 |
490 |
10 |
1750 |
1990 |
18 |
90 |
120 |
3 |
500 |
590 |
11 |
2000 |
2240 |
19 |
130 |
160 |
4 |
600 |
740 |
12 |
2250 |
2490 |
20 |
170 |
210 |
5 |
750 |
890 |
13 |
2500 |
2990 |
21 |
220 |
260 |
6 |
900 |
1090 |
14 |
3000 |
3490 |
22 |
270 |
310 |
7 |
1100 |
1290 |
15 |
3500 |
3990 |
23 |
320 |
360 |
8 |
1300 |
1490 |
16 |
4000 |
Meer |
24 |
VP-tabel: (VP = Victory-Points of ook wel WP = Wedstrijd Punten). Er is een relatie tussen het aantal spel en het aantal IMP waarmee een viertalwedstrijd wordt gewonnen. Hoe meer spellen, des te groter zal het IMP-verschil worden. En ook: als de viertalwedstrijd over een klein aantal spel gaat, dan zal er zelden een groot IMP-verschil zijn. Toch wil je viertalwedstrijden onderling kunnen vergelijken. Daarom is er een tabel die het mogelijk maakt om wedstrijdvergelijking mogelijk te maken. Dit is de VP-tabel:
Aantal spellen |
|
||||||
4-5 |
6-9 |
10-13 |
14-15 |
16-21 |
22-25 |
25-29 |
VP |
? |
0-1 |
0-1 |
0-2 |
? |
0-3 |
0-3 |
15-15 |
? |
2-5 |
2-6 |
3-7 |
? |
4-9 |
4-10 |
16-14 |
? |
6-8 |
7-9 |
8-10 |
? |
10-14 |
11-15 |
17-13 |
? |
9-11 |
10-12 |
11-14 |
? |
15-19 |
16-20 |
18-12 |
? |
12-14 |
13-16 |
15-18 |
? |
20-24 |
21-25 |
19-11 |
? |
15-17 |
17-20 |
19-22 |
? |
25-29 |
26-31 |
20-10 |
? |
18-20 |
21-24 |
23-26 |
? |
30-34 |
32-37 |
21-9 |
? |
21-23 |
25-28 |
27-30 |
? |
35-39 |
38-43 |
22-8 |
? |
24-26 |
29-32 |
31-34 |
? |
40-45 |
44-49 |
23-7 |
? |
27-29 |
33-36 |
35-38 |
? |
46-51 |
50-55 |
24-6 |
? |
30-33 |
37-40 |
39-43 |
? |
52-57 |
56-61 |
25-5 |
? |
34-37 |
41-45 |
44-48 |
? |
58-64 |
62-68 |
25-4 |
? |
38-41 |
46-50 |
49-54 |
? |
65-71 |
69-76 |
25-3 |
? |
42-45 |
51-55 |
55-60 |
? |
72-79 |
77-85 |
25-2 |
? |
46-50 |
56-61 |
61-66 |
? |
80-87 |
86-94 |
25-1 |
? |
51+ |
62+ |
67+ |
? |
88+ |
95+ |
25-0 |
Bij hele korte viertallenwedstrijden (2-5 spel) wordt vaak de Pattontelling gehanteerd met ook een andere schaakverdeling in VP, en 16-21 spel is in viertallenwedstrijden ongebruikelijk: je speelt of minder spellen (en dan kan je in een dagdeel meer viertallen wedstrijden spelen) of je speelt meer spellen (en dan speel je 1 viertalwedstrijd in een zitting/dagdeel).
De VP-’s lopen op tot 25, daarna wordt het aantal VP-’s wat de minste partij krijgt minder. Dat komt omdat grotere IMP-verschillen eerder gezien wordt als “de minste heeft het slecht gedaan”, dan dat “de betere het goed gedaan heeft”.
MK-systeem: (Meesterklasse systeem) een parenwedstrijd over meerdere zittingen. Per zitting wordt je met iedereen vergeleken (perfecte balans dus) maar je krijgt maar enkele tegenstanders per zitting (variërend van 1 tegenstander per zitting tot maximaal 4). Over het totaal van alle zittingen (de serie) tref je uiteindelijk alle tegenstanders. Uiteraard kan dit systeem alleen als altijd iedereen komt, en bij gewone clubs kan je geen opkomstplicht instellen.
WEKO-wijzer: eens per 3 maanden geeft de WEKO (d.i. de Wedstrijdkommissie van de NBB - oude spelling) een tijdschrift uit waarin protesten, nieuwtjes en interessante artikelen voor bridgewedstrijdleiders en geïnteresseerden behandeld worden.